Onlangs organiseerde de SKAO een bijeenkomst voor adviseurs over de CO₂-Prestatieladder versie 4.0. Voor SmartTrackers was dit een uitstekend moment om te toetsen of de software-aanpassingen die wij hebben doorgevoerd, de juiste zijn.

Daarnaast werd er stilgestaan bij de belangrijkste aspecten van Ladder 4.0, die variëren afhankelijk van de trede waarop een organisatie wil certificeren. Een aantal van deze aspecten licht ik in dit artikel toe.

Vooraf is een belangrijk aandachtspunt op zijn plaats. Veel bedrijven kiezen ervoor om dit jaar nog op versie 3.1 te certificeren. Conform de overgangsregeling is dit toegestaan. Het is vanaf de tweede helft van dit jaar echter ook mogelijk om aan te besteden conform de regels van 4.0. Met name bedrijven die werken voor Rijkswaterstaat (RWS) zullen er rekening mee moeten houden dat zij tijdig overstappen op het nieuwe schema om aan de gunningseisen te blijven voldoen.

Voor alle treden geldt dat het van belang is om doelstellingen op te splitsen en op te bouwen vanuit activiteiten (en afhankelijk van de trede ook in de waardeketen en met zogenoemde OBE’s: Overige Beïnvloedbare Emissies). Deze activiteiten kunnen worden bepaald op basis van een impactanalyse. De vorm hiervan is vrij, mits deze voldoende onderbouwing biedt.

Tijdens de bijeenkomst plaatsten aanwezigen een kritische kanttekening bij de complexiteit van het doorrekenen van deze gevarieerde doelstellingen. In een spreadsheet is dit inderdaad een complexe opgave. SmartTrackers is hier echter op ingericht: het systeem faciliteert het opbouwen van doelstellingen vanuit categorieën en activiteiten. De software berekent zelf de samengestelde doelstelling, al dan niet per scope. Een doelstelling die enkel is opgesplitst per scope biedt vaak minder stuurinformatie; het zijn immers communicerende vaten. Uiteindelijk wil je kunnen bepalen hoeveel energiegebruik of CO₂-uitstoot gemoeid is met specifieke thema’s zoals mobiliteit, gebouwen of een ketenactiviteit in scope 3. Hoewel de categorie-indeling van het Greenhouse Gas Protocol (GHG-P) standaard in SmartTrackers zit, adviseren wij om vooral doelen te stellen op een indeling die fijnmazig genoeg is om daadwerkelijk op te kunnen sturen.

De methodiek van het Science Based Targets initiative (SBTi) mag uiteraard worden gebruikt voor het bepalen van doelstellingen. Binnen SBTi wordt echter soms gewerkt met minder transparante ‘compensatieposten’. Het is vaak beter om een heldere doelstelling op te bouwen op basis van concrete relatieve en absolute kentallen, gerelateerd aan de activiteiten van de organisatie (zoals ondersteund door de categoriestructuur in SmartTrackers).

Voor trede 2 en 3 is het klimaattransitieplan een sleuteldocument. Dit betekent dat voor de emissies in scope 1, 2 en 3 – inclusief de OBE’s – uitgebreid uitgewerkt dient te worden hoe men verwacht de doelen voor de middellange en lange termijn te halen. Omdat het hier om een visiedocument gaat, heeft dit plan vaak een langere houdbaarheid dan één jaar.

Het is raadzaam dit te combineren met een concreet plan van aanpak. In SmartTrackers kan dit rekenkundig worden onderbouwd door naast de doelstellingen ook de maatregelen in te voeren en deze door te rekenen op hun effect. Zo ontstaat een solide fundering voor de doelstellingen. Voor de langere termijn zal men moeten terugvallen op een visie gebaseerd op verwachte marktontwikkelingen en kansen richting een klimaatneutrale bedrijfsvoering. Voor bedrijfstakken waar een ‘nul-doelstelling’ in 2050 technisch onhaalbaar is, mag hiervan gemotiveerd worden afgeweken, mits de ambitie hoog blijft. Dit geldt echter als een uitzonderingspositie.

Een belangrijk gegeven in versie 4.0 is dat klimaatneutraliteit behaald kan worden op basis van de zogenoemde market-based doelstelling. Oftewel: het uitfaseren van fossiele brandstoffen en de inkoop van groene stroom blijven belangrijke routes. Hierbij geldt nu wel dat er óók een doelstelling voor energiereductie van toepassing is. Het terugdringen van elektriciteitsverbruik moet, waar mogelijk, zichtbaar worden gemaakt. Natuurlijk kan het totale elektraverbruik toenemen door elektrificatie van het machinepark. In dat geval kan mobiliteitsbeleid er alsnog voor zorgen dat de totale energievraag binnen de perken blijft. De doelstelling op energiebesparing is daarmee een zwaarwegend onderdeel van de nieuwe ladder.

De location-based berekening (op basis van het landelijke stroomnet) wordt binnen de ladder minder gezien als stuurmiddel en meer als een compliance-aspect, bijvoorbeeld voor aansluiting bij de CSRD-wetgeving. SmartTrackers rekent dit automatisch voor u uit. Persoonlijk zie ik location-based sturing overigens wel als een kans, bijvoorbeeld door processen zo in te richten dat er aantoonbaar meer gebruik wordt gemaakt van groene stroommomenten in de energiemix.

Het aantal certificeringen op versie 4.0 is vooralsnog beperkt. Wij zullen daarom regelmatig ervaringen delen, zodat iedereen de juiste keuzes kan maken.

Op dit moment zijn wij druk bezig met het migreren van de CO₂-omgevingen in SmartTrackers. Waar deze nu nog vaak gebaseerd zijn op een WTW-berekening (Well-to-Wheel), vraagt Ladder 4.0 om een splitsing in TTW (Tank-to-Wheel) en WTT (Well-to-Tank). Een belangrijk advies van de SKAO is om voor de bedrijfsvoetafdruk in scope 1 en 2 te sturen op het TTW-gedeelte (de directe uitstoot). Dit sluit beter aan bij het GHG-Protocol en internationale rapportagerichtlijnen. In SmartTrackers zijn beide methodieken mogelijk zodra uw omgeving is omgezet. U ontvangt persoonlijk bericht over deze migratie, inclusief aanvullende instructies.

Heeft u nu al aanvullende vragen over SmartTrackers of specifieke punten van versie 4.0 van de CO₂-Prestatieladder? Stuur uw vraag dan naar support@smarttrackers.nl.